
Woensdagochtend 5 november 2008, rond half zeven ’s ochtends. De zorgvuldig opgebouwde overwinningsspeech van Barack Obama is ten einde en de familieleden van de nieuwe president en zijn rechterhand Joe Biden verschijnen op het podium. CNN haalt alles uit de kast en schakelt van Chicago naar Kenia, van Kenia naar Brooklyn, New York en via aan het hek van het Witte Huis rammelende mensen weer terug naar de opvallend kalme Obama, die zwaaiend vanachter een transparante, kogelvrije wand het eindapplaus in ontvangst neemt. De tranen stromen op dat moment over de wangen van de wereld bij het zien van zoveel historische vreugde, door Obama’s campagneteam zorgvuldig van passende muziek voorzien.
George W. Bush heeft Obama dan al telefonisch gefeliciteerd met zijn overwinning. Hij noemde het: “A triumph of the American story, a testament to hard work, optimism and faith in the enduring promise of our nation.” Opvallende woorden voor iemand die in alles de tegenpool van Obama lijkt te zijn. Maar hoewel de twee in politiek opzicht inderdaad ver uit elkaar liggen, komt hun motivatie om de politiek in te gaan uit dezelfde hoek. Allebei proberen ze te doen wat hun vader niet lukte.
Het verhaal van Bush is bekend: tot zijn 40ste jaar gaat hij lanterfantend door het leven. Pas als papa Bush zich kandidaat stelt voor het presidentschap, komt W. in beweging. Hij bezet een belangrijke plaats in het campagneteam dat zijn vader succesvol naar het Witte Huis loodst. W. trekt zich vervolgens weer terug uit de politiek en lijkt meer dan gelukkig als directeur van een honkbalteam. Zijn bijdrage aan de familiekroniek is geleverd. Maar als de herverkiezing van Bush Senior in 1992 mislukt, knapt er iets. W. meent dat zijn vader door had moeten drukken in de Golfoorlog en velen zien W’s wens om president te worden als een poging om die fout goed te maken. En daarmee eindelijk het respect van zijn vader te verdienen. Het is een ambitie die voortkomt uit angst- en wraakgevoelens.
Barack Obama heeft zijn vader nauwelijks gekend. In 1971 bezocht Obama Senior zijn toen 10-jarige zoon en aan die periode heeft Obama weinig warme herinneringen, zo blijkt uit zijn autobiografie Dreams from my Father. Het hele boek is een zoektocht naar de motieven van Obama Senior, zijn kwaliteiten en zijn zwaktes. Obama’s vader was een intelligente man, die als één van de eerste Afro-Amerikanen de kans kreeg om aan Harvard te studeren. Hij had ideeën over hoe de Keniaanse maatschappij er uit zou moeten zien, maar was ongelukkig in de manier waarop hij die communiceerde. Hij schopte tegen alles en iedereen aan, waardoor hij persona non grata werd binnen invloedrijke Keniaanse kringen en zijn veelbelovende politieke carrière in de kiem smoorde.
Obama Senior was, kortom, geen bruggenbouwer. Zijn zoon probeert het vooral in dat opzicht beter te doen. In tegenstelling tot Bush doet hij dat niet alleen om (postmortum) zijn vaders goedkeuring te krijgen, maar omdat hij uit het levensverhaal van zijn vader heeft begrepen dat samenwerking en respect essentieel zijn voor succes, zowel op persoonlijk als op maatschappelijk vlak. Yes we Can lijkt daarom niet alleen een briljante slogan voor de verkiezingscampagne, maar ook een boodschap voor zijn vader, die gaandeweg zijn leven steeds moedelozer werd van alle weerstand en verbitterd stierf.
Obama is geprezen omdat hij van ras geen issue maakte in zijn campagne, maar critici stellen vraagtekens bij de reacties op zijn verkiezing. Daarin wordt wél vaak gerefereerd aan zijn huidskleur. Is het volk wel klaar voor de post-raciale boodschap van Obama? Deze mensen lijken te vergeten dat je een taboe eerst moet doorbreken, wil je het van tafel kunnen vegen. De historische lading van Obama’s overwinning ontkennen, zou op zijn minst denigrend zijn tegenover de voorgaande generatie Afro-Amerikanen, die lang op dit moment hebben gewacht. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat de nieuwe president van ras een thema moet maken. Sterker nog, een deel van Obama’s klasse is dat hij zwart kan zijn zonder blanken te veroordelen of zelfs maar aan te spreken over het verleden. Hij ontkent zijn afkomst niet, maar kijkt wel naar de toekomst en versnelt daarmee de hopelijk laatste fase van raciale gelijktrekking.
Critici menen dat hij de verwachtingen nooit kan waarmaken. Dat klopt. Obama is geen heilige. Hij zal onvermijdelijk onderuit gaan en oplopen tegen de ijzeren muren in de Amerikaanse politiek. Hij gaf het zelf in zijn overwinningsspeech al aan. Critici die daar ‘terugkrabbelen’ in zien, hebben wederom niet goed opgelet. Het is realisme. Eerlijkheid over wat er te gebeuren staat. En eerlijk zijn is ook Obama’s belangrijkste opdracht. Hij moet het Amerikaanse volk er daarmee blijvend van overtuigen dat hij het beste met ze voorheeft. Zijn jaren als buurtwerker in de South Side van Chicago waren uit pragmatisch oogpunt niet bijzonder succesvol. Hij kreeg weinig concrete dingen gedaan. Toch dragen de mensen hem in Chicago nog altijd op handen omdat hij hen inspireerde, opzweepte en bij elkaar bracht. Hij gaf ze het gevoel dat ze zelf iets voor elkaar konden krijgen, een gevoel dat beklijfde toen Obama zelf al weer ergens anders zat. Als president zal hij natuurlijk wél dingen gedaan moeten krijgen, maar minstens zo belangrijk is het dat Obama onderdeel blijft van de bevolking en ook als leider der natie geloofwaardig overkomt als hij speecht over hoop, samenwerking en een betere toekomst. Dat op zichzelf zou al een verandering van formaat zijn.