Culminatie (1): De Dam

Fictie schrijven is een langgekoesterde wens. Ik weet niet of mijn fantasie er groot genoeg voor is en of mijn woordenschat en doorzettingsvermogen een dergelijk verlangen rechtvaardigen. We komen er vanzelf achter. Op advies van de door mij herontdekte Stephen King begin ik met een situatie. Een simpele situatie, ingegeven door simpele angsten en fascinaties. Er zijn wat losse ideetjes, maar over lengte laat staan afloop heb ik nog geen flauw benul. Ik laat ‘het verhaal en de personages bepalen waar het heen gaat’, om met King te spreken. Here goes nothing.

 

Culminatie

Er lag een bekertje op de grond en Richard trapte er verveeld tegen aan. Normaal gesproken was de straat om deze tijd bezaaid met lege bekertjes en ander vuil, zo tussen sluitingstijd van de winkels en de aankomst van de veegwagens. Maar de winkels waren vandaag niet open gegaan. Hij wist niet goed waarom niet, zoals hij ook niets begreep van zijn eigen kalmte. Hij strekte zijn hand uit en zocht naar sporen van angst. Niets. Als dit het einde van de wereld was, zou hij zich wel wat meer zorgen mogen maken. Maar als dit het einde van de wereld was, was het ook wel een verdomd vredig einde. Een einde waartegen je eigenlijk geen bezwaar kon hebben.

Richard keek door de Kalverstraat en zag alleen een paar duiven met een mengeling van verbazing en wanhoop rondpikken op het lege trottoir. Geen enkel frietje was er voor ze, geen kruimels van gehaast etende voorbijgangers. De straat was de vorige avond schoon achtergelaten in afwachting van een nieuwe dag die nooit gekomen was. Hoewel, dat klopte niet helemaal. De dag was wel aangebroken, maar de mensen waren simpelweg niet meer uit hun huizen gekomen.

Hij zwierf nu al uren rond. Natuurlijk had hij even aan een droom gedacht. Maar hij hoefde niet in zijn arm te knijpen om zich te realiseren dat dit echt gebeurde. Het was allemaal te tastbaar, er waren teveel details die hem in zijn slaap nooit zouden opvallen. De afprijzingen in etalages van kledingwinkels. Reclameborden die achter transparante rolluiken waren weggezet voor de nacht. Bovendien ontbrak het aan die bizarre scèneovergangen die dromen tot dromen maken. Iedere stap die hij zette was een logisch vervolg op de vorige. Iedere winkel zat op de juiste plaats. Na McDonalds aan zijn rechterhand, volgde De Slegte aan zijn linker. Fame op de hoek  gevolgd door het uitgestrekte klinkerveld van de Dam.

Ook het plein zelf zag er op het eerste gezicht uit zoals altijd, met als enige verschil de afwezigheid van beroerde levende standbeelden en toeristen die dom genoeg waren om ze voor hun wanprestatie te belonen. Richard had genoeg van de wereld gezien om te weten dat het beter kon, véél beter. Die lapzwansen zouden in Barcelona of New York worden weggehoond, maar hier stonden ze doodleuk op het beroemdste plein van de stad hun zakken te vullen. Terwijl hij zich daar kwaad over begon te maken, zag  Richard plotseling iets dat hem nog niet was opgevallen.

Voor het monument stond een standaard, ongeveer hetzelfde model waar Beatrix op 5 mei altijd een krans omheen hangt. Nu leek er een klein schilderij op te rusten. Richard versnelde zijn pas en toen hij dichterbij kwam, zag hij dat het geen schilderij was, maar een foto. Hij verstarde even. Op de afbeelding herkende hij zichzelf, kijkend naar een foto op een verlaten Dam.

Published in: on December 18, 2008 at 11:28 pm  Leave a Comment  

Het Plein van de Hemelse Voedselvrede

plein1

Ik ben niet vies van een lekker hapje, laat ik dat voorop stellen. Maar Duitsers zijn erg. Echt erg. Om niet te zeggen: errug. Vorige week vond ik mezelf terug op een kerstmarkt in pittoresk Oberhausen, omgeven door typische Ruhrse kerncentrales, een veel te groot winkelcentrum en een logge mensenmassa die zich door geen recessie af liet houden van veel te vroege kerstinkopen.

Het was 29 november 2008 en er zou gegeten worden.

Hollanders zijn gierig en Duitsers vreten. Zo is het nu eenmaal, er is geen enkele reden om aan die vooroordelen te twijfelen. Zo blij als een kind waren we toen de parkeergarage gratis (hoort u dat? GRA-TIS. Je auto de hele dag parkeren! Niets hoeven te betalen!) bleek te zijn. Op de kerstmarkt deden de  Duitsers geen enkele moeite om hún hokje te ontwijken. In het begin was dat nog vooral grappig. Haha, daar heb je een standje met braadworsten van 50 centimeter lang op een pieterig broodje dat er alleen om heen zit zodat je kunt zeggen dat je ‘een broodje’ hebt gegeten.

Maar het lachen verging me snel.

Enkele tientallen kraampjes verder sloeg de kakafonie van geuren voor het eerst op mijn maag. Verse kastanjes, pretsels, appelpannekoeken, Hollandse friet en allerlei soorten worsten vermengden zich tot een afschuwelijk parfum dat in iedere vezel van mijn lichaam doordrong. Het liefst was ik even gaan zitten om de opkomende duizelingen weg te laten trekken, maar de stroom maakte dat onmogelijk. Ik werd als vanzelf voortgestuwd door een gigantische hand in de vorm van honderden mensen, die zonder dat ze het zelf doorhadden één waren in hun streven mij langs alle kraampjes van deze voedselparade te loodsen.

Terwijl de kerstmuziek aanzwengelde, zag ik afschuwelijke taferelen. Een familie poseerde voor een mini-diorama alsof ze echt in Oostenrijk waren. Een veel te oud zwanger geworden vrouw at van een in chocolade gedoopte appel en liet de vloeibare lekkernij onbezorgd over haar wangen lopen. Tientallen mensen schuifelden voorzichtig door een benauwde, houten keet waarin glazen kersttafereeltjes waren uitgestald, om in godsnaam maar niets kapot te maken.

Langzaam dunde de stroom uit. De kerstmarkt bereikte zijn apotheose op een grote vlakte, waar de meest geliefde hapjes nog een keer voorbij kwamen, als in de finale van een circusvoorstelling.  Wankelend, steunend, ja nog net niet brakend bereikte ik de ingang van winkelcentrum CentrO. Ik klemde me vast aan de klink, trok de deur open en strompelde naar binnen. Ik had het gehaald.

Dacht ik.

Wat ik toen zag, en rook, tart iedere beschrijving. Voor me lag een gigantisch overdekt plein ondersteund door marmeren zuilen waar de Romeinenen jaloers op waren geweest. Het glazen dak liet zwak winterlicht door dat neerkwam op ontelbare tafeltjes, omringd door wat zo’n beetje alle fastfoodketens van de wereld moesten zijn. Óveral stonden rijen, álle tafeltjes waren bezet en íedereen was gelukkig. Zolang er voedsel was, zouden hier geen rellen uitbreken.  Ik zakte door mijn knieën, keek smekend om me heen, maar werd door niemand opgemerkt. 

Een kwartier later kwam ik bij. En toen moest ik dus nog kleren gaan kopen hé.

Published in: on December 9, 2008 at 3:17 pm  Leave a Comment  
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.