De Splinter trekt de wijde wereld in

En toen was het ruim twee maanden later. Vele pogingen om een vervolg aan Culminatie te geven mislukten, ideeën voor nieuwe gevoelige stukken bleven uit. Ik ben De Splinter gestart omdat ik over mezelf wilde schrijven, écht over mezelf. Dat is een aantal keer redelijk gelukt, maar als ik heel eerlijk ben, heb ik nooit de durf gehad om echt diep in mezelf te graven. Of beter gezegd: om de resultaten daarvan publiekelijk kenbaar te maken. Bovendien ben ik de melancholie in het algemeen, en het schrijven daarover in het bijzonder, behoorlijk moe geworden. Ik ben mezélf moe geworden.

Om een niet zo lang verhaal nog korter te maken: het is dus tijd om de boel te sluiten. Achter de schermen wordt hard gewerkt aan een meer traditioneel weblog, dat zal gaan over media, politiek en wat al niet meer.  Haarscherpe analyses, goudeerlijke observaties en dat allemaal met een gegarandeerde verschijningsratio van één keer per week.*

Wéér iemand met een mening dus? Ja. Daar zijn er inderdaad al veel te veel van, maar daar kan ik niks aan doen. Bovendien is mijn mening belangrijker dan die van anderen. En beter geformuleerd bovendien.

Ik laat het al mijn trouwe lezers uiteraard weten als dit nieuwe huzarenstukje daadwerkelijk van start gaat. De naam heb ik al voor u:

Tussen Hoop en Vrees.

Dag,

Uw Splinter

 

* In het verleden gedane beloftes bieden geen garantie voor de toekomst.

Advertisements
Published in: on February 24, 2009 at 10:46 pm  Comments (1)  

Culminatie (1): De Dam

Fictie schrijven is een langgekoesterde wens. Ik weet niet of mijn fantasie er groot genoeg voor is en of mijn woordenschat en doorzettingsvermogen een dergelijk verlangen rechtvaardigen. We komen er vanzelf achter. Op advies van de door mij herontdekte Stephen King begin ik met een situatie. Een simpele situatie, ingegeven door simpele angsten en fascinaties. Er zijn wat losse ideetjes, maar over lengte laat staan afloop heb ik nog geen flauw benul. Ik laat ‘het verhaal en de personages bepalen waar het heen gaat’, om met King te spreken. Here goes nothing.

 

Culminatie

Er lag een bekertje op de grond en Richard trapte er verveeld tegen aan. Normaal gesproken was de straat om deze tijd bezaaid met lege bekertjes en ander vuil, zo tussen sluitingstijd van de winkels en de aankomst van de veegwagens. Maar de winkels waren vandaag niet open gegaan. Hij wist niet goed waarom niet, zoals hij ook niets begreep van zijn eigen kalmte. Hij strekte zijn hand uit en zocht naar sporen van angst. Niets. Als dit het einde van de wereld was, zou hij zich wel wat meer zorgen mogen maken. Maar als dit het einde van de wereld was, was het ook wel een verdomd vredig einde. Een einde waartegen je eigenlijk geen bezwaar kon hebben.

Richard keek door de Kalverstraat en zag alleen een paar duiven met een mengeling van verbazing en wanhoop rondpikken op het lege trottoir. Geen enkel frietje was er voor ze, geen kruimels van gehaast etende voorbijgangers. De straat was de vorige avond schoon achtergelaten in afwachting van een nieuwe dag die nooit gekomen was. Hoewel, dat klopte niet helemaal. De dag was wel aangebroken, maar de mensen waren simpelweg niet meer uit hun huizen gekomen.

Hij zwierf nu al uren rond. Natuurlijk had hij even aan een droom gedacht. Maar hij hoefde niet in zijn arm te knijpen om zich te realiseren dat dit echt gebeurde. Het was allemaal te tastbaar, er waren teveel details die hem in zijn slaap nooit zouden opvallen. De afprijzingen in etalages van kledingwinkels. Reclameborden die achter transparante rolluiken waren weggezet voor de nacht. Bovendien ontbrak het aan die bizarre scèneovergangen die dromen tot dromen maken. Iedere stap die hij zette was een logisch vervolg op de vorige. Iedere winkel zat op de juiste plaats. Na McDonalds aan zijn rechterhand, volgde De Slegte aan zijn linker. Fame op de hoek  gevolgd door het uitgestrekte klinkerveld van de Dam.

Ook het plein zelf zag er op het eerste gezicht uit zoals altijd, met als enige verschil de afwezigheid van beroerde levende standbeelden en toeristen die dom genoeg waren om ze voor hun wanprestatie te belonen. Richard had genoeg van de wereld gezien om te weten dat het beter kon, véél beter. Die lapzwansen zouden in Barcelona of New York worden weggehoond, maar hier stonden ze doodleuk op het beroemdste plein van de stad hun zakken te vullen. Terwijl hij zich daar kwaad over begon te maken, zag  Richard plotseling iets dat hem nog niet was opgevallen.

Voor het monument stond een standaard, ongeveer hetzelfde model waar Beatrix op 5 mei altijd een krans omheen hangt. Nu leek er een klein schilderij op te rusten. Richard versnelde zijn pas en toen hij dichterbij kwam, zag hij dat het geen schilderij was, maar een foto. Hij verstarde even. Op de afbeelding herkende hij zichzelf, kijkend naar een foto op een verlaten Dam.

Published in: on December 18, 2008 at 11:28 pm  Leave a Comment  

Het Plein van de Hemelse Voedselvrede

plein1

Ik ben niet vies van een lekker hapje, laat ik dat voorop stellen. Maar Duitsers zijn erg. Echt erg. Om niet te zeggen: errug. Vorige week vond ik mezelf terug op een kerstmarkt in pittoresk Oberhausen, omgeven door typische Ruhrse kerncentrales, een veel te groot winkelcentrum en een logge mensenmassa die zich door geen recessie af liet houden van veel te vroege kerstinkopen.

Het was 29 november 2008 en er zou gegeten worden.

Hollanders zijn gierig en Duitsers vreten. Zo is het nu eenmaal, er is geen enkele reden om aan die vooroordelen te twijfelen. Zo blij als een kind waren we toen de parkeergarage gratis (hoort u dat? GRA-TIS. Je auto de hele dag parkeren! Niets hoeven te betalen!) bleek te zijn. Op de kerstmarkt deden de  Duitsers geen enkele moeite om hún hokje te ontwijken. In het begin was dat nog vooral grappig. Haha, daar heb je een standje met braadworsten van 50 centimeter lang op een pieterig broodje dat er alleen om heen zit zodat je kunt zeggen dat je ‘een broodje’ hebt gegeten.

Maar het lachen verging me snel.

Enkele tientallen kraampjes verder sloeg de kakafonie van geuren voor het eerst op mijn maag. Verse kastanjes, pretsels, appelpannekoeken, Hollandse friet en allerlei soorten worsten vermengden zich tot een afschuwelijk parfum dat in iedere vezel van mijn lichaam doordrong. Het liefst was ik even gaan zitten om de opkomende duizelingen weg te laten trekken, maar de stroom maakte dat onmogelijk. Ik werd als vanzelf voortgestuwd door een gigantische hand in de vorm van honderden mensen, die zonder dat ze het zelf doorhadden één waren in hun streven mij langs alle kraampjes van deze voedselparade te loodsen.

Terwijl de kerstmuziek aanzwengelde, zag ik afschuwelijke taferelen. Een familie poseerde voor een mini-diorama alsof ze echt in Oostenrijk waren. Een veel te oud zwanger geworden vrouw at van een in chocolade gedoopte appel en liet de vloeibare lekkernij onbezorgd over haar wangen lopen. Tientallen mensen schuifelden voorzichtig door een benauwde, houten keet waarin glazen kersttafereeltjes waren uitgestald, om in godsnaam maar niets kapot te maken.

Langzaam dunde de stroom uit. De kerstmarkt bereikte zijn apotheose op een grote vlakte, waar de meest geliefde hapjes nog een keer voorbij kwamen, als in de finale van een circusvoorstelling.  Wankelend, steunend, ja nog net niet brakend bereikte ik de ingang van winkelcentrum CentrO. Ik klemde me vast aan de klink, trok de deur open en strompelde naar binnen. Ik had het gehaald.

Dacht ik.

Wat ik toen zag, en rook, tart iedere beschrijving. Voor me lag een gigantisch overdekt plein ondersteund door marmeren zuilen waar de Romeinenen jaloers op waren geweest. Het glazen dak liet zwak winterlicht door dat neerkwam op ontelbare tafeltjes, omringd door wat zo’n beetje alle fastfoodketens van de wereld moesten zijn. Óveral stonden rijen, álle tafeltjes waren bezet en íedereen was gelukkig. Zolang er voedsel was, zouden hier geen rellen uitbreken.  Ik zakte door mijn knieën, keek smekend om me heen, maar werd door niemand opgemerkt. 

Een kwartier later kwam ik bij. En toen moest ik dus nog kleren gaan kopen hé.

Published in: on December 9, 2008 at 3:17 pm  Leave a Comment  

Obama, het vadercomplex en hoop als politieke verandering

obama25_16939317

Woensdagochtend 5 november 2008, rond half zeven ’s ochtends. De zorgvuldig opgebouwde overwinningsspeech van Barack Obama is ten einde en de familieleden van de nieuwe president en zijn rechterhand Joe Biden verschijnen op het podium. CNN haalt alles uit de kast en schakelt van Chicago naar Kenia, van Kenia naar Brooklyn, New York en via aan het hek van het Witte Huis rammelende mensen weer terug naar de opvallend kalme Obama, die zwaaiend vanachter een transparante, kogelvrije wand het eindapplaus in ontvangst neemt. De tranen stromen op dat moment over de wangen van de wereld bij het zien van zoveel historische vreugde, door Obama’s campagneteam zorgvuldig van passende muziek voorzien.

George W. Bush heeft Obama dan al telefonisch gefeliciteerd met zijn overwinning. Hij noemde het: “A triumph of the American story, a testament to hard work, optimism and faith in the enduring promise of our nation.Opvallende woorden voor iemand die in alles de tegenpool van Obama lijkt te zijn. Maar hoewel de twee in politiek opzicht inderdaad ver uit elkaar liggen, komt hun motivatie om de politiek in te gaan uit dezelfde hoek. Allebei proberen ze te doen wat hun vader niet lukte.

Het verhaal van Bush is bekend: tot zijn 40ste jaar gaat hij lanterfantend door het leven. Pas als papa Bush zich kandidaat stelt voor het presidentschap, komt W.  in beweging. Hij bezet een belangrijke plaats in het campagneteam dat zijn vader succesvol naar het Witte Huis loodst. W. trekt zich vervolgens weer terug uit de politiek en lijkt meer dan gelukkig als directeur van een honkbalteam. Zijn bijdrage aan de familiekroniek is geleverd. Maar als de herverkiezing van Bush Senior in 1992 mislukt, knapt er iets. W. meent dat zijn vader door had moeten drukken in de Golfoorlog en velen zien W’s wens om president te worden als een poging om die fout goed te maken. En daarmee eindelijk het respect van zijn vader te verdienen. Het is een ambitie die voortkomt uit angst- en wraakgevoelens.

Barack Obama heeft zijn vader nauwelijks gekend. In 1971 bezocht Obama Senior zijn toen 10-jarige zoon en aan die periode heeft Obama weinig warme herinneringen, zo blijkt uit zijn autobiografie Dreams from my Father. Het hele boek is een zoektocht naar de motieven van Obama Senior, zijn kwaliteiten en zijn zwaktes. Obama’s vader was een intelligente man, die als één van de eerste Afro-Amerikanen de kans kreeg om aan Harvard te studeren. Hij had ideeën over hoe de Keniaanse maatschappij er uit zou moeten zien, maar was ongelukkig in de manier waarop hij die communiceerde. Hij schopte tegen alles en iedereen aan, waardoor hij persona non grata werd binnen invloedrijke Keniaanse kringen en zijn veelbelovende politieke carrière in de kiem smoorde.  

Obama Senior was, kortom, geen bruggenbouwer. Zijn zoon probeert het vooral in dat opzicht beter te doen. In tegenstelling tot Bush doet hij dat niet alleen om (postmortum) zijn vaders goedkeuring te krijgen, maar omdat hij uit het levensverhaal van zijn vader heeft begrepen dat samenwerking en respect essentieel zijn voor succes, zowel op persoonlijk als op maatschappelijk vlak. Yes we Can lijkt daarom niet alleen een briljante slogan voor de verkiezingscampagne, maar ook een boodschap voor  zijn vader, die gaandeweg zijn leven steeds moedelozer werd van alle weerstand en verbitterd stierf.

Obama is geprezen omdat hij van ras geen issue maakte in zijn campagne, maar critici stellen vraagtekens bij de reacties op zijn verkiezing. Daarin wordt wél vaak gerefereerd aan zijn huidskleur. Is het volk wel klaar voor de post-raciale boodschap van Obama? Deze mensen lijken te vergeten dat je een taboe eerst moet doorbreken, wil je het van tafel kunnen vegen.  De historische lading van Obama’s overwinning ontkennen, zou op zijn minst denigrend zijn tegenover de voorgaande generatie Afro-Amerikanen, die lang op dit moment hebben gewacht. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat de nieuwe president van ras een thema moet maken. Sterker nog, een deel van Obama’s klasse is dat hij zwart kan zijn zonder blanken te veroordelen of zelfs maar aan te spreken over het verleden. Hij ontkent zijn afkomst niet, maar kijkt wel naar de toekomst en versnelt daarmee de hopelijk laatste fase van raciale gelijktrekking.

Critici menen dat hij de verwachtingen nooit kan waarmaken. Dat klopt. Obama is geen heilige. Hij zal onvermijdelijk onderuit gaan en oplopen tegen de ijzeren muren in de Amerikaanse politiek. Hij gaf het zelf in zijn overwinningsspeech al aan. Critici die daar ‘terugkrabbelen’ in zien, hebben wederom niet goed opgelet. Het is realisme. Eerlijkheid over wat er te gebeuren staat. En eerlijk zijn is ook Obama’s belangrijkste opdracht. Hij moet het Amerikaanse volk er daarmee blijvend van overtuigen dat hij het beste met ze voorheeft. Zijn jaren als buurtwerker in de South Side van Chicago waren uit pragmatisch oogpunt niet bijzonder succesvol. Hij kreeg weinig concrete dingen gedaan. Toch dragen de mensen hem in Chicago nog altijd op handen omdat hij hen inspireerde, opzweepte en bij elkaar bracht. Hij gaf ze het gevoel dat ze zelf iets voor elkaar konden krijgen, een gevoel dat beklijfde toen Obama zelf al weer ergens anders zat. Als president zal hij natuurlijk wél dingen gedaan moeten krijgen, maar minstens zo belangrijk is het dat Obama onderdeel blijft van de bevolking en ook als leider der natie geloofwaardig overkomt als hij speecht over hoop,  samenwerking en een betere toekomst. Dat op zichzelf zou al een verandering van formaat zijn.

Published in: on November 10, 2008 at 9:55 pm  Leave a Comment  

Me and Emilíana

Ik kan en wil het niet minder mooi maken dan het was. Sinds donderdagavond weet ik hoe het moet voelen om je over te geven aan religieus gezang  in de absolute zekerheid dat de God wiens naam je scandeert ook daadwerkelijk bestaat. En ik heb me niet eens hoeven bekeren. Sinds donderdagavond weet ik dat ik kan zweven. Een paar centimeter boven de grond slechts, maar wel anderhalf uur lang.

2,5 jaar geleden zag ik haar voor het eerst live in Rotterdam. Gezeten op kussens, zo dichtbij dat ik haar bijna aan kon raken. Afgelopen donderdag stond ik zo dichtbij dat ik letterlijk aan haar jurkje had kunnen trekken. Leunend op het podium keek ik naar de charmantste vrouw die ik ken. Een vrouw die zelfspot tot kunst heeft verheven zonder onzeker te zijn. Die met Me and Armini een cd heeft gemaakt die direct aanspreekt en maar blíjft groeien, met Bleeder als absoluut langzaam onder de huid kruipend hoogtepunt.

Maar hoe goed de muziek ook is, Emilíana live is vooral genieten van de vrouw zelf. Hoe ze haar keel schraapt, om vervolgens  een bouwvakker te imiteren die een fluim uitspuugt. Hoe ze gekke bekken trekt en daarmee het publiek tot een brok vertedering reduceert. Hoe ze de slappe lach krijgt tijdens een nummer dat Ha Ha heet en een tweede poging maar ternauwernood overleeft.

Ogen dicht en wegdromen bij Fireheads , af en toe even door de wimpers genietend van haar meisjesachtige lichaamshouding tijdens het zingen, om even later volledig uit het dak te gaan bij Jungle Drum. En toen moest Gun nog komen. Een concert dat het hoofd volledig en in alle registers doet open breken. Ik kán en wil het niet minder mooi maken dan het was. Emilíana Torrini, catalysator voor al mijn cynisme, vijand van al mijn demonen: ik adoreer jou.

Published in: on October 18, 2008 at 1:11 pm  Comments (1)  

Vivaaaaa

Vivaaaaa

Vivaaaaa

Impressive if slightly kitsch. Zo omschrijft mijn Rough Gide de show die de Font Màgica in Barcelona weggeeft. Wat de schrijver natuurlijk bedoelt, is impressively kitsch. Deze gigantische fontein ligt er overdag behoorlijk verdord bij, maar komt ’s avonds als in een spróókje tot leven. Duizenden mensen beginnen zich rond 20.00 uur te verdringen op de trappen van Montjuïc , op zoek naar het beste plekje om  dit moderne mirakel te aanschouwen. Snackverkopers draaien overuren en immigrantenfamilies halen hun bontgekleurde, lichtgevende souvenirs uit de tas.

Om 21.00 begint het water in de kleinere fonteinen vanaf Placa D’Espanya te stromen en niet veel later volgt ook Màgica zelf. Veel meer dan een warming-up is het nog niet, de kleuren worden getest en de grootste spuitkoppen trekken wat sprintjes, maar de spanning begint duidelijk toe te nemen. Het geklater doet vele blazen opzwellen en de rij bij de toiletten groeit als kool, ook al omdat iedere wc-bril na gebruik een snuifje allesreiniger en een aai van de schoonmaakdoek krijgt.

Ik loop wat rond als er plotseling muziek klinkt. Celine Dion opent het bal. Applaus alom en in de twintig minuten die volgen dansen de waterstralen netjes op de maat van de meest zoetsappige muziek die ze in Barcelona konden vinden. Klassieke klassiekers en Disneymedleys wisselen elkaar af voordat Sting het publiek er op wijst hoe breekbaar we wel niet zijn. En ik voel me geweldig. Hier kan geen Disney Parade tegen op, dit is foutheid in zijn meest pure en dus goede vorm. Maar dan gebeurt er iets geks. Het stopt.  Zonder duidelijke climax, zonder die toch onvermijdelijk lijkende finale.

Ietwat beteuterd besluit ik langzaam richting metro te wandelen als er achter me opeens een oorverdovend ‘BARCELONA!!!’ klinkt. Hoorbare opluchting onder de aanwezigen, ik was dus niet de enige die blind op deze afsluiter had gerekend. Ik loop terug en terwijl Freddie en Montserrat langzaam richting het hoogtepunt bouwen, worden de waterstralen hoger, de kleuren feller. Iedereen houdt zijn adem in.  Als de laatste uithaal wordt ingezet en de waterdruk uit heel Catalonië in deze fontein samen lijkt de komen, gaat het dak er af.

Hoeden vliegen in de lucht, mensen vallen elkaar in de armen en wereldvrede lijkt nog slecht een formaliteit. Ik moet me inhouden om niet ter plekke klaar te komen. Als er een KitschGod bestaat, woont hij op de heuvels van Montjuïc.

Published in: on September 22, 2008 at 7:19 pm  Leave a Comment  

Kinderen zijn kut

Happy-Go-Lucky

Het wordt steeds lastiger om je medemens te irriteren nu Nederland de vrijheden van haar burgers steeds verder aan banden legt. Gelukkig hebben we de kinderen nog. Vergeet de laatste, lullige seksuele grensjes, negativiteit over kinderen is waarlijk het grote taboe van onze tijd. Een paar weken geleden zat ik op Schiphol te wachten tot mijn gate open ging, toen er 2,5 jaar levenservaring met een big smile op het gezicht voorbij kwam rennen in een pas die wel móest eindigen in een snoekduik richting vloer. Toen dat niet gebeurde, raakte ik geirriteerd. Er is weinig leuker dan een vallend kind.  

Toegegeven, tot zover kon de kleine dreumes er ook weinig aan doen. Dat veranderde toen hij een flauwe bocht nam en zonder enige overdenking van zijn acties alsog crashte. Tegen mijn linkerbeen. Als onschuldige burger kun je in een dergelijke situatie maar één ding doen: vertederd lachen en een vriendelijke aai over de bol. Maar ik was niet vertederd. De moeder rende uiteraard op enige afstand achter haar productie aan en kon mijn afkeurende blik duidelijk niet waarderen. Ze raapte haar inmiddels brullende zoontje op en keek me boos aan. Ik keek net zo lang terug tot ze zich omdraaide.

 

Ik heb niets tegen kinderen. Ik pleit niet voor poepluiervrije zondagen in de dierentuin, noch heb ik behoefte aan het afschaffen van de financiele voordelen die ouders genieten.  Je kunt je ergens heel goed aan ergeren zonder te willen dat er iets verandert. Maar ik weiger net te doen alsof ik ze leuk vind. Neem het me niet kwalijk dat ik niet val voor de charmes van zo’n ‘puur en eerlijk wezentje’.  Dat eerlijke klopt trouwens wel hoor. Toen het kind weer door de moeder werd neergezet op de spiegelende vloer van Schiphol en in hoog tempo op zoek ging naar een volgend slachtoffer, riep het heel hard ‘aaaaaaaaaaahhhhhhhh’. En ik dácht het alleen maar.

Published in: on September 14, 2008 at 6:53 pm  Comments (1)  

Strijkviertel

Mijn ouders zijn buitenmensen die hun hele leven in de stad hebben gewoond. Altijd al was het geringste zonnetje aanleiding genoeg om het balkon op te zoeken, tot verbazing of zelfs hilariteit van de buren. En klom de temperatuur nog een paar graden, dan viel dat magische woord: Strijkviertel. Zo rond mei trokken mijn vader, mijn moeder en ik meestal  voor het eerst dat jaar naar die waterplas net buiten de stad. Op de fiets natuurlijk, met een koelbox onder de snelbinders.

Meestal reed ik voorop, zodat ik als eerste de drukte kon peilen op de parkeerplaats. Viel het mee, dan konden we wellicht nog een rustig plekje bemachtigen tussen de bomen, met een privéstrandje van twee meter breed. Nadat we de fietsen hadden geparkeerd, begon het uitpakken. De witblauw gestreepte stoeltjes werden in elkaar gezet, de luchtbedden opgeblazen en de koelbox vond een strategische plaats tussen ons in. Vader pakte vervolgens de Voetbal International, moeders dook de Mijn Geheim in en ik beleefde avonturen met Donald Duck. Geluk is bijna altijd simpel. 

Als ik het lezen zat was, werd het tijd om de watertemperatuur te meten. Voorzichtig liep ik op blote voeten door het zanderige gras, de scherpe takjes ontwijkend. De eerste stappen in het stilstaande water waren altijd bedrieglijk behaaglijk. In tegenstelling tot de zee bleek het Strijkviertel in de lente pas koud als je er tot je middel in stond. Het temperatuurverschil tussen de oppervlakte en een meter daaronder was enorm.

Ik was een goede zwemmer en kon zonder mijn moeder al te ongerust te maken naar het midden van de plas peddelen om drijvend op mijn rug te genieten van de afstand tussen mij en de rest van de wereld. In de verte klonk een constant, zacht geroezemoes, af en toe verstoord door een gil, lach, blaf of plons. Als mama uiteindelijk toch een beetje de kriebels kreeg, hoorde ik het fluiten dat ik nog altijd uit duizenden herken. Plichtsgetrouw zwom ik dan terug naar mijn moeder die met haar handen in de zij langs de kant naar me uit stond te kijken.

De pubertijd, een verhuizing en het einde van de werkloze periode van mijn vader betekende het einde van deze gezinstripjes. We gingen weer echt op vakantie en als het thuis lekker weer was, bleek de tuin groot genoeg. Vrijwel onmiddellijk veranderde het Strijkviertel in een herinnering en ik zoek herinneringen graag op. Ik kwam er nog steeds met enige regelmaat, maar nu vooral op dagen dat het voor zwemmen echt veel te koud was. Dan fietste ik een rondje langs het rimpelloze water, eerst om al mijmerend herinneringen op te halen, maar later juist vaak om het hoofd leeg te maken.

Zes jaar geleden was ik er voor het laatst. Het leren wilde niet vlotten en in een opwelling besloot ik in mijn auto naar het Strijkviertel te rijden. Ik had mijn studieboeken meegenomen met het idee dat de stof langs de waterkant misschien wel tot me zou doordringen. Ik reed het terrein op, waar geen enkele auto geparkeerd stond, en zocht een bankje op langs het water. Ik begon te lezen. Zonder resultaat. Binnen vijf minuten begon ik mezelf voor gek te verklaren. Ik besefte dat de band die ik ooit met dit water had, in de loop der jaren langzaam was verdwenen. Andere plekken hadden haar plaats in mijn geheugen ingenomen. Die dag, kortom, merkte ik voor het eerst dat zelfs mijn herinneringen een houdbaarheidsdatum hebben.

Published in: on August 5, 2008 at 3:24 pm  Comments (1)  

Opbouwen en afbreken

Het is al 23.15, maar echt donker wil het niet worden. De nachten zijn kort en licht eind juni. Ik steun mijn handen op de railing van het balkon, voor ik me af kan vragen  hoelang geleden ik er nog een doek overheen haalde. Het is rustig voor een vrijdagavond, normaliter toch het domein van opgeschoten jongeren op opgevoerde brommers. De vrijwel geruisloos vallende motregen ontslaat hondenbezitters niet van hun late plicht, maar zelfs de dieren lijken geenszins van plan de stilte tegen te spreken. Gedwee lopen ze achter hun baasjes aan, tong uit de bek, plichtmatig op zoek naar een geschikte plek voor de laatste druppels urine van de dag.

Ondanks de regen is het onmiskenbaar een vroege zomeravond. Het verlangen naar Het Grote Vertrek hangt in de lucht. Over een paar weken gaat het merendeel van de mensen op vakantie en verdwijnen zelfs de honden even uit het late straatbeeld. Het zijn mijn favoriete weken van het jaar, zo tussen half juli en half augustus. Nederland is leeg en dat zorgt ook in mijn hoofd voor ruimte.  Je moet eigenlijk wel gek of gebonden zijn om in deze periode weg te gaan. Nooit is het gemoedelijker, vrediger en soms ook nog beter weer dan in die vier weken hoogzomer.

Maar terwijl iedereen vol verwachting opbouwt naar zijn eigen vorm van escapisme is het verval van de zomer al ingezet, aardig verbloemd door een nog steeds stijgende temperatuur. Nauwelijks merkbaar nog trekt de zon zich iedere avond iets eerder terug . Pas half augustus leggen de meeste mensen zich neer bij de gedachte die mij nu al overvalt: voor je het weet, is het Kerstmis.

Published in: on June 30, 2008 at 4:25 pm  Leave a Comment  

Eentje

Elk jaar, zo rond half mei

Komen er een heleboel eendjes bij

 

Ze zijn schattig, pluizig en oh zo zacht

En kwaken nog niet zo hard

Midden in de nacht

 

Natuurlijk, elk eendje is speciaal

Maar deze, nou, die al helemaal

Hij zwemt naar voren en naar opzij

En raast zo mama en zijn broertjes voorbij

 

Helaas zit zijn leven ook vol met gevaar

Vannacht kwamen de ratten een paar broertjes van hem jatten

Ze openden hun kaken: hap, slik en klaar.

 

Nu staan er jongens bij de sloot

Heel even hoopt hij nog op brood

 

Maar dan wordt mama geraakt door een steentje

 

Met veel geklater

Springt hij snel in het water

Nu is hij dus echt in zijn eentje  

 

Published in: on May 16, 2008 at 4:13 pm  Comments (1)